zondag 8 januari 2012

De trip naar het echte Hoge Noorden.

Rene en ik wilde eens het echte Noorden van Thailand ontdekken. Dat is dan de bergen in en onbekende dorpen en gehuchten ontdekken.
We zouden een weekje daar doorbrengen. Vanaf Chiang Mai naar Chiang Dao, dan naar Thaton en dan naar Chiang Rai. Maar in oktober regende het behoorlijk en zelfs Chiang Mai liep onder. De weg naar Thaton had, volgens berichtgeving, last van aardverschuivingen en in overleg met Rene en mij, besloten we Thaton te laten schieten en een nacht extra in Chiang Rai door te brengen. We konden dan in die extra dag Mae Salong bezoeken.

De eerste dag, 23 oktober, gingen we op pad, richting Chiang Dao op de 107. Maar eerst wilde we Wat Bandum bezoeken. Ik was er anderhalf jaar geleden met Rob en Wilma geweest, maar we hadden toen niet veel tijd. Rene was er nog nooit geweest. Via een routebeschrijving die Rob ons gestuurd had kwamen we, na wat verkeerde afslagen te hebben genomen, toch bij dat tempelcomplex aan. Rob had in zijn routebeschrijving een monument met het uiterlijk van een boot genoemd, maar die was of verdwenen of Rob zag wat beton voor een boot met gaten aan.
Wat Bandum is een groot en nieuw tempelcomplex. Er is slechts een monnik permanent aanwezig en die is de bouwer van al die tempels en zalen. Er ziet er allemaal erg mooi uit en er wordt nog steeds gebouwd. De monnik die daar woont wordt erg vereerd en je ziet hem dan ook zitten met vele volgelingen om hem heen.

Verder is er op dat tempelcomplex niet echt gelegenheid om ergens te zitten en een kop koffie te drinken. Maar het is de moeite waard om het te bezoeken.
































Toen op weg naar Chiang Dao. Rene had daar twee bungalows gehuurd bij een resort “Nature Home Guesthouse”. Het was een mooi resort, maar redelijk basic. Wel mooie bungalows en het oudere echtpaar dat de zaak daar bestierde, was een en al vriendelijkheid. Ik kon mijn trouwe Honda vlak voor de bungalow parkeren. Chiang Dao is zelf een druk stadje. We aten er in een restaurant die goed en lekker eten maakte. We bezochten ook nog de Grotten van Chiang Dao. Die grotten liggen in een mooie omgeving. Je gaat via een tempel en trappen naar die grotten.

Je kunt zelf in die grotten een route uitzoeken. Met gidsen of zonder gidsen. Wij gingen de makkelijke route zonder gidsen bekijken. De grotten bieden veel stalactieten en stalagmieten te zien. Wel oppassen, want je kunt op de vochtige bodem uitglijden. Ben je in Chiang Dao, moet je die grotten bezoeken, het staat goed aangegeven.




De volgende dag had Rene een fietstocht georganiseerd dat door het resort werd aangeboden. Het bleek dat wij de enige die dag waren die de fietstocht deden en de dochter van het echtpaar zou als gids fungeren. Nu zag ik al de bergen op de achtergrond, maar hoopte vurig dat wij alleen op vlakke stukken zouden rijden. IJdele hoop, natuurlijk. Het eerste stuk, de helft van de fietstocht, ging omhoog. Mijn conditie was twintig jaar geleden redelijk toen ik nog als scheidsrechter over de voetbalvelden rende, maar is nu tot een dieptepunt gedaald. Kreunend en steunend, met vaak lopend langs de fiets, ging ik omhoog.
Rene en de gids fietsen als ervaren Tour de France rijders naar boven en moesten steeds wachten op een hijgende en transpirerende ex-scheidsrechter.
Halverwege stopte we bij een bloemenkwekerij en ik ging met Rene en de kweker even de bloemen bekijken. Maar vlug ging ik weer lekker in de schaduw zitten, at een paar bananen op en voelde mijn krachten weer toenemen. De kwekerij was mooi en de mensen waren er vriendelijk en lieten ons veel zien.
De toegenomen krachten door het eten van vier bananen was hard nodig, want de weg ging weer omhoog en uitgeput kwam ik aan bij het hoogste punt. Daar was een snelstromend riviertje met warmwaterbronnen en we zouden daar de lunch gebruiken en eventueel in een warmwaterbron ons kunnen laven. Ik was blij dat ik het leven had, at met smaak mijn lunch op en wilde alleen maar wat rust. Rene ging dapper in dat hete water van die warmwaterbron zitten en kwam later weer tevoorschijn.
.De terugrit was makkelijk. Dat ging naar beneden en ik hoefde weinig te trappen. We wisten een leuk koffietentje en daar kwamen we ook aan. Lekker koffie gedronken en toen op weg naar het resort. Op zichzelf een leuke fietstocht, daar niet van. Maar in de folder zou moeten staan dat een beetje conditie wel een vereiste was. Ook was de lunch nu niet om naar huis te schrijven. Maar ik genoot, ondanks de vermoeienissen, toch van die fietstocht.
De volgende dag naar Chiang Rai, waar we twee nachten zouden logeren. In Chiang Rai een uitstekend restaurant gevonden waar we dan ook de twee avonden gegeten hebben.
De volgende dag ging we via Ban Lorcha naar Mae Salong, het Chinese dorp.



Ban Lorcha viel ons erg tegen. Daar is in de club uitgebreid over geschreven. Wij vonden dat het dorp dat als een “Living Museum” werd aangekondigd, die benaming op geen enkele wijze benaderde. Het hele gebeuren nodigt niet uit tot een bezoek. Voor ouderen is het zelfs gevaarlijk om over die smalle paden van dat dorp te lopen. De weinig aanwezige dorpelingen doen alles op de automatische piloot en van enige spontaniteit is geen spraken. Zonde van de tijd en van het geld. Tenminste wat ons betreft.







Toen wilde we toch een kijkje nemen in Thaton. Het was niet al te ver rijden. De wegen waren goed en we hadden prima daar in Thaton kunnen overnachten, maar dat is achteraf bekijken. Thaton is een prachtig dorpje, dat gelegen is in een vallei. Je kunt daar zeker een nacht of zo doorbrengen en er is genoeg te zien. Wij gingen de berg op om de tempels te zien.
Alles staat goed aangegeven in de verschillende stadia, die nummers hebben. Zo rij je van nummer 1 naar nummer twee enzovoorts. Alles staat prima aangeven en je krijgt prachtige vergezichten voor je ogen getoverd. Thaton is zeker een bezoek waard.
Toen weer de weg terug naar Mae Salong. Mae Salong wordt bewoont door nazaten van soldaten van het leger van van de Kwatong, de tegenstrevers van Mao. Soldaten vluchten toen naar Thailand en men mocht er blijven. Men verbouwd thee op de heuvels en het dorp is een toeristische attractie. Het dorp is gelegen tegen de berghellingen aan en je rijdt via een wat smalle, maar goed berijdbare weg door het dorp, waar je af en toe naar beneden kan kijken naar de huizen die op steile hellingen gebouwd zijn.

Er is een levendige markt, waar je allerlei spulletjes kan kopen en er zijn genoeg winkels waar je thee in allerlei maten en zakjes kan kopen. Mae Salong is een leuke plaats om te bezoeken en een aantal uurtjes door te brengen. Het is volgens mij geen dorp om te overnachten.
Toen weer terug naar Chiang Rai en de volgende dag naar Chiang Mai, via de “Witte Wat”.

Een leuke trip, met Rene als aangenaam gezelschap. Maar dat is hij dan ook elke trip die we maken en trips met Rene zijn altijd de moeite waard.

Met dank aan renethai voor de fotos

zondag 17 juli 2011

Een dagje Chae Hom met Titiwhat

Titiwhat is een Thaise monnik en tevens goed bevriend met mij. Hij komt oorspronkelijk uit Khon Kaen en is op wat latere leeftijd monnik geworden. Ik leerde hem kennen toen hij leraar was in Wat Analayo bij Phayao. Wat Analayo is tevens een meditatie-centrum en Titiwhat is een van de leraren meditatie daar.
Hij is ook een jaar gestationeerd geweest in Nieuw-Zeeland, in een tempel in Auckland. Sinds 2010 is hij gestationeerd in een tempel in Lat Krabang.
In de loop van de jaren ben ik vaak met hem op reis geweest. Vooral naar zijn geboortestreek in de Isan. Khon Kaen en Nong Khai hebben we vaak bezocht.


Verleden week (10 juli) kwam hij voor een paar dagen logeren bij mij in Hang Dong. Hij wilde ook naar Chae Hom. Daar buiten Chae Hom is een nieuwe tempel op een berg en daar zijn we al een paar keer geweest. Ik heb de tempel en de aangrenzende gebouwen in de loop van jaren zien opbouwen en het is nu een mooi complex geworden. Niet groot, maar met een prachtig uitzicht op Chae Hom.
Titiwhat wilde graag naar Chae Hom, omdat de Abt van Wat Analayo aan de tempel in Chae Hom een bezoek zou brengen. Ik vond dat best, want dan zou ik weer een andere monnik zien, waarmee ik bevriend ben. Hij is twee jaar in het Boeddhistisch centrum van Düsseldorf geweest en spreekt een beetje Duits. Hij bestiert daar die tempel in Chae Hom.
Woensdag gingen we op weg, via Lampang, naar Chae hom. Uiteraard werden nog eerst wat benodigdheden bij BigC gehaald, want je kan niet met lege handen aankomen. Ook werden er wat geschenken voor de Abt gekocht.
We werden hartelijk verwelkomt daar bij die tempel en na een uurtje gingen we naar Chae Son National Park. Daar zijn warmwaterbronnen, maar ook badhuisjes, waar je in het zwavelhoudend water kan baden. Het hete water van de bronnen wordt wat gekoeld met het water dat uit een stroompje daar komt. Er is ook een waterval in Chae Son, die een kilometer hoog is. Niet een waterval, maar op verschillende etages. Je kan met de trap, die kilometer langs de watervallen klimmen.

Het water in de badhuisjes is warm, maar met een lichte zwavelgeur. Je mag dan ook maximaal tien minuten in dat water zitten. Je moet je wel goed douchen om de zwavelgeur van je lijf te krijgen.Meestal sliep ik daar in dat tempelcomplex op een matje op de grond. Maar nu was er een echt bed voor me . Met matras en al. Slapen op een matje op de grond is niet een van mijn favorieten bezigheden. Als je geen hernia hebt, dan krijg je er wel een, als je een nacht doorbrengt op een dun matrasje op een tegelvloer.
De volgende ochtend kreeg ik als ontbijt, spaghetti met een saus. De “Duitse” monnik had dat klaargemaakt met juspoeder uit Duitsland. Wel wat veel van die poeder had hij gebruikt voor die saus. In plaats van twee theelepels, had hij twee zakjes gebruikt. Het gevolg was dat de saus bremzout was en niet te eten. Tevens werd de spaghetti koud opgediend. Uitvoerig bedankte ik hem voor al de moeite, maar schoof het bord met de spaghetti van mij af. Zelf de hond wilde het niet eten.
De Abt van Wat Analayo zou niet het tempelcomplex bezoeken, maar een tempel en huizen, dat in aanbouw was en veel hoger lag dan het tempel complex. Ik keek wat omhoog en zag drie witte stipje tegen de bergwand aangeplakt. Daar moesten we naartoe.


Mijn trouwe Honda kon die weg echt niet berijden, werd mij gezegd. Alleen 4W aangedreven wagens konden die hellingen aan.
Tegen een uur kwam er een pick-up aan en gingen wij naar boven. Op een weg van beton, smal en met steile hellingen gingen we naar boven. Mijn trouwe Honda zou gillend van angst die hellingen bekeken hebben en als een haas weer naar de parkeerplaats zijn gevlucht.
De weg kronkelde naar boven en na tien minuten waren we bij een parkeerplaats. Daarna was het nog drie honderd meter lopen en kwamen we bij een huis dat tegen de berghelling was aangeplakt. Even verderop was nog een huis en boven ons waren werklieden bezig om nog wat te bouwen. Een groot Bhoedha-beeld stond er al. Hoe ze dat Bhoedha-beeld naar boven hebben gekregen zal voor mij altijd een raadsel blijven.


In het tweede huis waren een aantal Thaise mensen aanwezig. Dat waren de donateurs van die huizen en wat er in aanbouw was. Ik maakte kennis met een neuroloog die met pensioen was. De meeste echtparen waren van mijn leeftijd en zaten goed in de slappe was. Dat kon je zo zien.
Ik kon gelukkig op een veranda van het eerste huis mijn sigaretjes roken en teven van een schitterend uitzicht op het tempelcomplex beneden en op het dorp Chae Hom. Kreeg wat koffie met Thaise koekjes en het wachten was op de Abt.
Die kwam tegen twee uur en leunend op een wandelstok maakte hij ook de wandeling naar de huizen. Bij het tweede huis werd hij begroet door de donateurs en maakte met iedereen wel een praatje. Ook werden er de nodige foto's gemaakt met de abt, die in een stoel zat.


In een ruimte, waar beelden, kaarsen en allerlei spul was geplaatst in een soort altaar, ging de abt tegen de muur zitten en brachten de donateurs hun geschenken aan hem. Dat waren bloemen tot en met tl-buizen. Met veel gebeden werden die geschenken overhandigd. Ik maakte wat foto's en moest langs de knielende mensen gaan. Met twee andere fotografen schoten wij de plaatjes.


Toen waren de aanwezige monniken aan de beurt om hun respect aan de Abt te tonen. Daar werden dan ook weer de nodige gaven aan hem gegeven en de monniken wierpen zich letterlijk in het stof voor hem. Je kan zien welke rang een monnik heeft. Als hij een andere monnik ontmoet dan gaat een van hen op de knieën en buigt drie keer voor de monnik in hogere rang. Titwhat heeft een wat hogere rang, want meestal knielen de monniken voor hem.



De Abt van Analayo is een belangrijke monnik. Vaak is hij in Bangkok, want hij maakt deel uit van de Raad van Monniken, ik noem het maar zo, waarvan de “Supreme Patriarch” de voorzitter is. Op 2 augustus is hij jarig en dan is er een groot feest bij Wat Analayo. Ik heb gezien dat geschenken met een olifant bij hem gebracht werden. Er zijn honderden monniken aanwezig en ook duizenden mensen uit het hele land. De middenstand van Phayao verzorgd die verjaardag en er zijn letterlijk tientallen voedsel en drank tentjes, waar je gratis eten en drinken kan krijgen. Een opmerkelijk feest, daar op 2 augustus.

Nu weer naar Chae Hom. Nadat de monniken hun respect hadden getoond ging de Abt met de donateurs naar een ander huis. Ik ging weer met de monniken mee naar benden. In een pick-up werd de rit naar beneden een ervaring. Ik zat langs de chauffeur en die vond dat prachtig om met mij een praatje te houden terwijl hij langs de afgronden reed en nauwelijks op de weg keek. Ik heb grijze haren, maar die werden wat grijzer tijdens die rit naar beneden.

Tegen drie uur in de middag bracht ik Titiwhat naar het busstation van Lampang. Hij ging verder met de bus naar Bangkok en ik ging naar mijn vertrouwde huis in Hang Dong.Ik vind het interessant om met Titiwhat op pad te gaan. Je komt op plaatsen waar weinig “farangs” komen en je ontmoet mensen uit allerlei verschillende klasse. Van arme mensen in een door God verlaten gehucht in de Isan tot invloedrijke Thais die wat in de melk te brokkelen hebben. Hoewel ik weinig Thais kan spreken en nog minder kan verstaan, krijg je toch een indruk van hoe de “gewone” Thais hun dagelijks leven invullen. En zeker t.o.v. monniken. Want daar zit wel een verschil in.

donderdag 16 juni 2011

Colors of Chiang Mai – Fietsen in Chiang Mai


Fietsen in Thailand, dat doe je als je zelfmoordneigingen hebt.
Thais noemen dan ook fietsers “kamikazes”. Nergens zijn er fietspaden, als fietser sta je op een van de onderste ladders van de Thaise verkeersladder en je bent vogelvrij.
Maar steeds zie je meer fietsers op de weg. Vooral op zondag zie je soms hele pelotons op de snelweg. Met een auto ervoor en de bezemwagen erachter. Het lijkt dan net een “mini-Tour de France”.
Maar fietsen is leuk. Je ziet veel meer en vooral in de nauwe straatjes bied fietsen een mooie blik op het dagelijks leven hier in Chiang Mai.
In Chiang Mai hebben, naar mijn weten, twee touroperators fietstochten uitgezet. Een fietstocht, van “Thailand Trek Tours” gaat door het platteland, ongeveer 20 km buiten Chiang Mai, in de regio van Doi Saket.
De andere fietstocht is van RBB, Recreational Biking Bangkok. Die touroperator heeft een fietstocht door de buitenwijken van Chiang Mai, in de regio van het vliegveld. En met die fietstocht gingen Rob, Wilma, Rene en ik mee. Fietsen is goed voor je conditie en je ziet nog eens wat.
 
Verzamelen voor die fietstocht doe je bij het kantoor/huis van Fokke van Egmond. Dat kantoor/huis ligt in een “estate”, vlakbij de snelweg naar het vliegveld. “De Dame” bracht ons daar feilloos heen, maar “De Dame” wist niet dat de weg naar die “estate” in de spits een een-richting verkeer had. Politie regelde het verkeer en we konden aansluiten bij een file. Maar die file was gauw opgelost, want de weg werd door de Thaise Hermandad vrijgegeven.
Bij het kantoor van Fokke stonden de fietsen al in slagorde opgesteld. Er waren genoeg fietsen en je kon uitzoeken welke fiets het beste bij je paste. De zadels werden afgesteld en we reden even een rondje of alles wel goed was.

Even wachten op een Koreaanse Amerikaan met zijn vriendin. Die kwamen ook en met Fokke aan kop en de mecanicien als “bezemfiets” gingen we op pad. De fietstocht zou 4 a 5 uur duren. Het was mooi weer en er werd geen regen verwacht.
De eerste stop was de Chinese Tempel “Wat Chin”. Dat was hele andere koek dan een doorsnee Thaise tempel. Een enorme betonnen draak grijnsde ons tegemoet en zijn bek stond open om ons te verzwelgen. In felle kleuren nodigde die draak ons uit om in die bek naar binnen te gaan. De tempel is felgekleurd. Overal staan beelden van goden en godinnen en wat ook opvalt is dat de offerblokken echte kluizen zijn.


Wij gingen die bek van de draak binnen en in de ingewanden van die draak waren prachtige fresco's aangebracht. Die beelden het leven uit van Boeddha. De mecanicien, die perfect Engels sprak, legde ons uit wat al die fresco's voorstelde. De fresco's waren prachtig van kleur en de gang in de draak was lang, maar de hele wand van die gang was beschildert.


Deze Chinese tempel is zeker waard om te bezoeken. Het is totaal verschillend van de meeste tempels die je hier in Thailand ziet.

Blij dat we niet door de draak verzwolgen waren, stapte we op fiets en gingen naar de volgende stop. Dat bleek “McKean Leprosy/Rhebilitation Centre” te zijn. Een melaatsen en een revalidatie/ verpleegtehuis.
Dat melaatsenkolonie is in 1907 door een Amerikaanse zendeling, McKean, gesticht. We kwamen eraan en er zaten wat oude mannen, sommige in een rolstoel en die hadden melaatsheid onder de leden. Je kon dat goed zien, want vingers ontbraken aan hun handen en ook de tenen aan hun voeten waren verdwenen door de melaatsheid. Tegenwoordig is melaatsheid vrijwel verdwenen, maar is de kolonie een revalidatie en verpleegtehuis. Rondom het plein waren kleine bungalows, waar de patiënten gehuisvest werden. Een kerkje trok mijn aandacht. Het was een typisch zendelingenkerkje, die ik ook vaak in Namibië gezien had bij de missieposten van Nederlandse paters.


Wilma deelde wat uit aan de melaatsen en we keken hoe de zalen eruit zagen. De kolonie is erg groot en we fietsen er ruim tien minuten doorheen. Het was oorspronkelijk een rustplaats voor de olifanten die werkten in de bossen. Maar een “witte” olifant overleed en niemand wilde meer op dat landgoed vertoeven, vanwege de boze geesten die het overlijden van die “witte' olifant” had opgeroepen. McKean kreeg dat landgoed bij wijze van spreke voor niets.


Er is ook een museum in de kolonie, maar die was gesloten. Ik zal daar zeker nog wel eens een kijkje nemen, want er ligt veel geschiedenis in die kolonie. Overal zag je die bungalows. Sommige erg oud, anderen redelijk nieuw. Ook deze kolonieis een aanrader voor ieder die meer wil zien van Chiang Mai dan alleen Doi Suthep.
We stapte weer op onze ijzeren ros en reden door de nauwe straten van die buitenwijk van Chiang Mai. Het is aardig om te zien hoe men daar woont en werkt.
Zo kwamen we bij een bakkerij waar broden en broodjes gebakken werden. Personeel genoeg en in de bakkerij was men danig bezig. Je moet echter niet denken dat die bakkerij een toonbeeld is van een Nederlandse bakkerij. Het is een georganiseerde chaos, maar iedereen weet wat men moet doen.
We kregen een heerlijk broodje die boven met boter en suiker was besmeerd. Lekker vers en heerlijk om te eten. Er hing echt een bakkerijlucht die ik van vroeger herkende als ik een brood moest halen in de bakkerij in Breda, waar ik in mijn kinderjaren woonde.



We gingen weer verder fietsen en kwamen bij een tempel met crematorium. De tempel heet Wat Chediliem. Het is een mooie tempel met een paar gongs, waar we op hartelust gingen slaan. Er is een gesloten en open crematorium. De open crematorium is precies zoals dat in Ngao was.


We kwamen ook voorbij een snoepjes fabriek. Daar werden kleine snoepjes gemaakt die mooi ingepakt werden. De machines die de mengsels voor die snoepjes maken, leken oud, maar deden hun werk goed. Ook hier waren redelijk wat mensen aan het werk. De snoepjes smaken heerlijk. Niet te zoet, wat eigenlijk vreemd is in Thailand en je kauwt de snoepjes heerlijk weg.



Een school mocht niet ontbreken in deze trip en kwamen bij een lagere school aan. De kinderen waren verbaasd dat ze zoveel “farangs” zagen, maar vonden het prima. We bezochten een klas met kinderen van rond de zes of zeven jaar. Vooral Rene blonk uit als een prima onderwijzer. De kinderen schreeuwde precies na wat hij hun voorzegde. De school zag er beter uit als de scholen die ik hier in Thailand had gezien. Het kwartiertje dat we er vertoefde is geen maatstaf hoe de school werkelijk functioneert. Maar het was erg leuk en de kinderen waren enthousiast.


De inwendige mens moest ook versterkt worden en we aten bij een Stichting die weeskinderen van de Hmong-volk opvangt en huisvest. Ook zijn er kinderen gehuisvest van het Hmong-volk waar de ouders niet voor de kinderen kunnen zorgen. De Stichting word door Nederlandse donaties ondersteunt . Het weeshuis heet het Piyawat weeshuis en het ziet er modern en opgeruimd uit. Een website over dit weeshuis is: http://www.unboundedlife.com/?p=555 en hier kan men ook wat lezen over het weeshuis: http://hilltribechildrenasia.com/Support_Hilltribe_Children_Asia.html
Wat zou Thailand zijn zonder keramiek. We bezochten een pottenbakkerij waar potten gemaakt en gebakken werden. Het is verbazend om te zien hoe zo'n pottenbakker uit een klomp klei zo'n mooie pot kan maken. De pottenbakkerij ziet er niet uit. Het is wat donker en van ARBO hebben ze nog nooit gehoord. De pottenbakker zelf herken je bijna niet. Het zou zo een klomp klei kunnen zijn. Het is wel leuk om te zien hoe alles daar in zijn werk gaat en je leert er nog wat van.




Ook kwamen we langs een standbeeld van Koning Chulakorn. Het is de meest beroemde koning die Thailand heeft gekend en heeft Thailand de moderne tijd in geleid. Hij wordt nog steeds erg vereerd in Thailand en overal zie je zijn beeltenis in huizen en winkels hangen.

We reden over de mooie weg, een stukje maar, Chiang Mai-Saraphi die omzoomd is met oude rubberbomen. Een prachtige weg, die ik vaak met de auto reed.
We kwamen bij een markt, waar we eerst wat te drinken kregen. Het was warm en ik had gelukkig een mooie pet van Wilma gekregen, die mij enige bescherming bood tegen de zon. Nadat we het drankje naar binnen gewerkt hadden gingen we de markt op. Ik schrijf wel “we”, maar ik bleef lekker bij die tent met koele dranken zitten. Markten heb ik in allerlei groottes en vormen gezien.
Nadat het gezelschap terug kwam van die markt, gingen we het laatste stukje fietsen. Naar het begint punt van de tocht. Inmiddels was het al half-drie geworden.
Ik heb genoten van die fietstocht. Je ziet vele dingen die je in de auto niet zou opmerken en je stopt bij bezienswaardigheden, waar je normaal nooit komt. Het was warm die dag en zelfs ik had wat verbrande armen. Rene had zonder hoed gereden en dat heeft ie geweten. In de avond had hij een verbrand hoofd.


Ik kan iedereen die fietstocht aanbevelen, als men in Chiang Mai komt. Het tempo is rustig en je fiets nooit lange stukken. Je stopt regelmatig. Voor mij was de leprakolonie het meest interessant, want daarbij komt de geschiedenis van Chiang Mai voorbij, die eigenlijk niemand weet.

De link van RBB is:
www.chiangmaibiking.com


Colors of Chiang Mai – Fietsen in Chiang Mai from ThailandGekClub on Vimeo.