maandag 17 januari 2011

Tempels, ruïnes, rivieren, een dam en vele kilometers.

Het reislustige duo, Rene en ik, gingen weer eens op pad. Nu om een lus oostelijk en zuidwaarts te maken in het Noorden van Thailand. De plaatsen Phayao, Nan, Phrae, Sukhothai, Nan, Mae Sot en de Bhumibol-dam stonden het op het programma.. Een rit van 1100 kilometer. Ik dacht eerst aan 1500 kilometer, maar nadat ik de kaart goed bekeken had en de kilometers opgeteld had, kwam ik aan 1100 kilometer. Mijn trouwe Honda zorgde dat die kilometers probleemloos onder zijn wielen voorbij schoten.

Op zondag 9 januari was het vroeg dag, want er stond wat op het programma. Eerst via de “mooie” route naar Phayao, voor een bezoek aan Wat Analayo. Wat Analayo bestaat uit twee delen. Een onderste en een bovenste gedeelte. Je moet wel met een auto zijn om beide gedeeltes te kunnen bezoeken. Het onderste gedeelte bestaat uit diverse zalen, boedhabeelden, soms groot en soms klein en een mooi vergezicht over het meer van Phayao. Het is uitgestrekt en je moet wel wat wandelen. Vooral in de regentijd is alles mooi groen en waan je je in een park. Wat Analayo is er sinds de 12de eeuw en was wat vervallen. De laatste tien jaar zijn er restauratie werkzaamheden en zijn er nieuwe gebouwen neergezet, Toeristen komen er nauwelijks.Het bovenste gedeelte is vijf minuten rijden van het onderste gedeelte. Dit gedeelte is nog meer uitgestrekt en moet je met de auto afleggen. Eerst kom je bij een aparte tempel, een soort tempel in Indiaas stijl. De tempel van binnen is niet bijzonders en donker, maar aan de buitenkant zijn er vele nissen. De tempel ligt aan het einde van een mooi park. Tevens is er een mooi versierde vergaderzaal.
Rij je door, dan zie je wat huizen en een soort vierkante blok beton. Dat is de officiële residentie van de Abt van Analayo. Van buiten niet veel bijzonders, maar van binnen heel mooi aangekleed. De man met de sleutel was er niet, maar ik ben er vaak binnen geweest.

Daar gaat er een smalle, maar goed te berijden weg naar het huis dat voor de Koninklijke Familie is gebouwd. De weg gaat steil naar beneden en ook weer steil omhoog. Passagiers die op de achterbank van een auto zitten hangen achterover in die bank, want het is steil. Bezoekers die met mij dit huis hebben bezichtigd, kunnen er van meepraten. Bleekjes kwamen ze uit de auto.

Het huis is van de buitenkant niets bijzonders maar is van binnen koninklijk aangekleed. Ook hier was de man met de sleutel niet aanwezig. Maar de panorama hoog op die berg, geeft een prachtige blik op het meer en Phayao. Dat vergoedt veel. Ik ben zelf vaak in dat Koninklijk Huis geweest, maar helaas deze keer niet.

Toen weer die weg terug gereden en dan kom je bij een kort, maar steil weggetje die naar een boedhabeeld van 35 meter hoog leidt. Dat beeld staat op een top van een berg met een groot marmeren vloer ervoor. Het beeld is van beton, maar lijkt net van brons te zijn gemaakt

Toen zijn we afgezakt naar het meer, alwaar we een kop koffie met gebakje nuttigde. De weg van Phayao naar Nan, via de 1251 en 1091 is erg mooi en je rijdt door bergen en dalen met prachtige vergezichten en natuur. Nan ligt in een dal en is een typisch Thais stadje. We vonden het hotel, het Dhevaraj Hotel makkelijk. Een mooi hotel midden in de stad. We hoefde niet te zoeken naar het hotel, we reden er zo naar toe.

Omdat Nan geen toeristenstad is, is er in de avond weinig tot niets te beleven. Er zijn markten, Thaise restaurants, maar tegen negen uur is het verlaten. We dronken een drankje in een soort karaoke-restaurant, waar wij de enige klanten waren en besloten in het restaurant aan de overkant te eten.. Het was een soort afhaal-restaurant, maar je kon ook binnen wat bestellen. Het was er redelijk druk daar en dan zou het eten wel goed zijn. Na het drankje opgedronken te hebben, gingen we naar dat restaurant en we gingen zitten voor een lekkere Thaise maaltijd. Er kwam een meisje aanlopen en met de woorden: “Solly, food finished, no more food”, konden we weer vertrekken..

Dan maar in het hotel eten. Die had een groot restaurant en we keken door de glazen wanden naar een grote bruiloft die daar in een soort open zaal werd gehouden. Er was een serveerster in dat restaurant en we werden prima en snel bediend. Volgens ons kregen die bruiloftsgasten ook niet veel te eten, want het restaurant liep vol met die bruiloftsgasten. Het arme serveerstertje had het er maar zwaar mee om al die bestellingen te noteren. Maar wij hadden ons eten al en alleen met afrekenen moesten we een tijdje wachten, want ze had het druk, die arme meid.

De volgende dag via Phrae naar Sukothai. Via de 101, je laat de 11 bij Den Chai, rechts liggen. Even voor Phrae liet ik Rene het wapenarsenaal dat langs de weg staat uitgestald zien. Vele rekken met de grootste messen, slagwapens, klewangs en andere vervaarlijk snij- en hakwerktuigen, liggen voor de kopers op rekken uitgestald. Niet een kraampje maar tientallen. Heb je moordneigingen, rij even naar Phrae en je word van alle moordwerktuigen voorzien. Garantie tot een meter van de kraam.

Phrae is ook de meubelstad van het Noorden. Langs de snelweg zijn er tientallen meubelzaakjes die mooie meubelen verkopen. Van de buitenkant lijken die winkeltjes maar klein, maar als je ervoor stat is er achter een grote toonzaal. Mijn droom is die schommelbank te kopen die daar staat. Die is gemaakt van boomstammen en weeg zeker een paar honderd kilo. Ik zag die bank al vijf jaar geleden staan en hij staat er nog steeds. Toen was die bank 25.000 baht, maar nu is die bank 32.000 baht. Een prachtjuweel voor diegene die een grote tuin hebben.


Toen naar Sukhothai. We kwamen langs het dorpje Si Satachanlai en daar was ook een Historisch Park. We reden even de 201 op en de ruïnes liggen wat verspreid, maar zijn toch mooi om te zien. Een voorproefje wat Sukhothai te bieden heeft.



We gingen de 101 weer op en kwamen in Sukothai. Het was een hele toer om het hotel, het Sukothai Guesthouse, te vinden, maar nadat we wat gezocht hebben, vonden we dat guesthouse. De kamers, met een grote veranda ervoor zijn magertjes ingericht. Geen TV, geen koelkastje en geen zeep in de doucheruimte. Wel een goed bed, maar je moet zelf je bed opmaken. Een laken en een deken lagen op het bed. Wel lag er een hoeslaken op het bed. De veranda was groot met grote stoelen en een leger van muskieten, die langskwamen om je te begroeten. Er waren veel planten en een vijver bij dat guesthouse.

Sukhothai is niet zo groot. Ook hier is het na negen uur in de avond wat uitgestorven. We aten wel in een prima restaurant dat zowel westers als Thais eten had. De bediening was prima, hoewel het restaurant vrijwel vol was, kregen we ons eten redelijk snel en alles tegelijk. Volgens mij wordt het restaurant geleid door een westerling. Bij een Thais restaurant moet je maar afwachten wanneer een gerecht op tafel wordt gezet. Als je denkt, daar komt niets meer, dan komt de soep langs. Bestel nooit roomijs als dessert bij de bestelling, want die krijg je eerst, want dat is het makkelijkste om te maken. Maar dat vind ik de charme van Thaise restaurants. Wat het eerst klaar is, komt op tafel.

De volgende ochtend naar het wereldberoemde Sukhotha Historisch Park. Het staat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Het ligt 12 kilometer buiten Sukhothai. De historische stad ligt in een vierkant, 1200 bij 1300 meter en je kunt fietsen huren. Als erkend fietser kreeg ik een goede fiets en Rene kreeg ook een mooie “ijzeren paard”. Je krijgt een plattegrond mee en fietsen maar.


In het Historisch Park staat alles goed aangegeven, het wordt uitsteken bijgehouden en de ruïnes zijn mooi en groot. Je ziet dat er veel aandacht is besteed om alles uit te graven en voor bezoekers is het goed aangelegd. Je bent er een goed anderhalf uur bezig om alles te bezichtigen.

Maar in de omgeving liggen nog meer tempels en pagodes uit het Sukhothai-tijdperk. Met mijn trouwe Honda zijn we die langs gereden. Het staat goed aangegeven op de gekregen plattegrond en je vindt het makkelijk. De meeste tempels en pagodes staan op een heuvel en om naar boven te gaan is moeilijk. De paden zijn van platte rotsen en niet erg rolstoel-vriendelijk. Als je niet uitkijkt, kun je zelf in een rolstoel belanden.




Tegen twee uur waren we weer in Sukhothai, eerst nog wat koffie gedronken onderweg en naar het guesthouse.


In de avond hebben we gegeten in een Italiaans restaurant die ook Thais eten serveerde. Ik nam “fish en chips”. Dat was blijkbaar een bijzonder gerecht voor ze, want ik moest heel lang wachten op mijn eten. Rene had vrijwel zijn Thaise maaltijd naar binnen toe die “fish en chips” werden gebracht. Ik moet wel zeggen dat de “chips” prima waren, geen diepvries-patat, maar zelf gebakken, maar de vis was een ramp. Niet de vis zelf, maar het “jasje” om die vis was in te lauwe olie gebakken en was doordrenkt met olie. De vis at ik smakelijk op, maar het “jasje” zal wel een roemloos einde hebben gekregen in de vuilnisbak van het restaurant.

De rit Sukothai-Tak is maar een kleine honderd kilometer, maar we reden meteen door naar Mae Sot, de bekende grensplaats met Birma. Via de 105 is het een mooie rit naar Mae Sot. De weg gaat omhoog en daarna weer naar beneden met prachtig natuur en je kijkt kilometers in de verte op de “scenic area's”.

Mae Sot viel me tegen. De stad Mae Sot ligt 6 kilometer van de grenspost af en die grenspost was erg verlaten.











We zagen niemand naar Birma gaan en ook niemand kwam van Birma. Toen we aankwamen stond er een pick-up bij de grenspost en toen we twee uur later weer terug gingen stond dezelfde pick-up er nog.


Wel zaten vele Birmezen langs de weg, vlakbij de grenspost. Hele gezinnen zag ik daar. Of zij zaten te wachten totdat ze naar Birma konden gaan, kon ik er niet uitmaken. Verder is er een overdekte markt rechts van de grenspost, maar ook hier was er weinig volk. Langs een grensriviertje, aan de Thaise kant is er een soort wandelpad. Op deze wandelpad waren er kramen met Birmezen, die hun waar te koop aanboden. Het was niet veel, meer groenten en vissen. In de talud, een droge rivierbedding, zag ik de schamele hutten waar die Birmezen in woonde. Het was een grote troep daar. Mae Sai in het uiterste Noorden is veel drukker en ook de markt daar is veel uitgebreider.

Met de 105 weer terug naar Tak. Tak is een mooie stad met brede wegen. Gelegen aan de rivier, met de naam “Ping”

Wij overnachten in een resort, de Andaman Resort, op 4km van Tak. We vonden dit resort makkelijk, want toen we van Mae Sot de afslag naar Tak namen, was binnen een paar honderd meter, via grote billboards, het hotel..





In de avond is Tak een drukke stad met een grote markt. Je kan je auto makkelijk kwijt, vanwege de brede straten. Maar ook hier is het dat het na negen uur erg stil wordt. We zochten een restaurant en vonden een mooi hotel, waar wij een drankje dronken. Intussen hadden we een lichtreclame van “Hot Pot” gezien. Bij “Hot Pot” moet jezelf je eten klaarmaken in een pan met het water. Het was daar een buffet, dus kon je naar hartenlust je favoriete gerechtjes uitzoeken. De pan wordt in twee delen gedeeld. In een deel wordt er bouillon ingegoten en in het andere deel heet water. De pan is elektrisch en je kan de pan in verschillende standen van temperatuur zetten. Het is een gezellige bezigheid en ik at veel vis en andere lekkernijen. Je bent zo een uurtje bezig om je potje te koken. Steeds kleine beetjes, maar het vult wel.


Nadat we een goed ontbijt hadden gegeten, gingen we naar de Bhumibol-dam. Die ligt 47kilometer van Tak af. We reden op de 1107. De weg voert lange tijd langs de Ping en de bewegwijzering naar de dam in goed, maar de laatste kilometers is de bewegwijzering maar matig.

De laatste kilometers naar de dam zijn spectaculair. Je rijdt in een vallei met steile bergen. Bij de ingang krijg je een “ticket”, gratis, en die lever je weer in als je terugkomt. Vanaf de ingang naar de dam is het nog 6 kilometer. Ook die weg is mooi en er zijn guesthouses, mooie parken en zelfs een klein benzinestation onderweg.

Vanaf een uitkijkpunt is de dam imposant en nog imposanter als je bij de dam bent. Je kan de dam niet oprijden, maar de weg is vlakbij het begin van de dam. Daar moet je een u-turn maken. Parkeergelegenheid genoeg. Het meer voor de dam is erg groot. Niet breed maar heel lang. Er zijn restaurants aan de oever van dat meer en er zijn ook boottochten met party-boten. Er voer er een weg toen wij er waren en de muziek kon je van een kilometer af goed horen. De kapitein van die boot is of doof of heeft altijd gehoorbeschermers aan
Ook bij de dam waren er maar weinig bezoekers en heel weinig toeristen. Een bezoek aan de Bhumibol-dam is de moeite dubbel en dwars waard. Prachtige natuur, een imposante dam en een meer waar je het einde niet kan zien.

Om weer op de snelweg te komen richting Lampang, was moeilijk. Wij sloegen de weg in naar Sam Ngao, nee, niet de Ngao waar ik gewoond heb, maar een ander Ngao. Via allerlei smalle wegen en nadat Rene een paar keer de weg gevraagd had, kwamen we op de snelweg en was de rit via Lampang naar Chiang Mai eigenlijk routine..

Tegen drie uur waren we weer terug bij het Gate Hotel, waar we vijf dagen eerder de trip waren begonnen. Zowel Rene als ik hebben genoten van die trip. Veel gezien. Gelopen, gereden en gefietst. Ik was op een paar plaatsen nog nooit geweest, dus ook voor mij was het een boeiende trip.

2 opmerkingen:

ReneThai zei

Leuk verslag Kees , en nog bedankt voor de moeite , en weer graag tot de volgende trip , ik denk dat isan aan de beurt gaat komen !!!!

Hondje(s) van de bakker zei

Leuk verslag, mooie trip! Wij zijn in 2009 in Mae Sot en Tak geweest en van daaruit naar Mae Sariang, mooi gebied. Leuk om te lezen over de Bumhiboldam, goeie tip, ik denk dat we die eens zullen gaan bezoeken.