donderdag 16 juni 2011

Colors of Chiang Mai – Fietsen in Chiang Mai


Fietsen in Thailand, dat doe je als je zelfmoordneigingen hebt.
Thais noemen dan ook fietsers “kamikazes”. Nergens zijn er fietspaden, als fietser sta je op een van de onderste ladders van de Thaise verkeersladder en je bent vogelvrij.
Maar steeds zie je meer fietsers op de weg. Vooral op zondag zie je soms hele pelotons op de snelweg. Met een auto ervoor en de bezemwagen erachter. Het lijkt dan net een “mini-Tour de France”.
Maar fietsen is leuk. Je ziet veel meer en vooral in de nauwe straatjes bied fietsen een mooie blik op het dagelijks leven hier in Chiang Mai.
In Chiang Mai hebben, naar mijn weten, twee touroperators fietstochten uitgezet. Een fietstocht, van “Thailand Trek Tours” gaat door het platteland, ongeveer 20 km buiten Chiang Mai, in de regio van Doi Saket.
De andere fietstocht is van RBB, Recreational Biking Bangkok. Die touroperator heeft een fietstocht door de buitenwijken van Chiang Mai, in de regio van het vliegveld. En met die fietstocht gingen Rob, Wilma, Rene en ik mee. Fietsen is goed voor je conditie en je ziet nog eens wat.
 
Verzamelen voor die fietstocht doe je bij het kantoor/huis van Fokke van Egmond. Dat kantoor/huis ligt in een “estate”, vlakbij de snelweg naar het vliegveld. “De Dame” bracht ons daar feilloos heen, maar “De Dame” wist niet dat de weg naar die “estate” in de spits een een-richting verkeer had. Politie regelde het verkeer en we konden aansluiten bij een file. Maar die file was gauw opgelost, want de weg werd door de Thaise Hermandad vrijgegeven.
Bij het kantoor van Fokke stonden de fietsen al in slagorde opgesteld. Er waren genoeg fietsen en je kon uitzoeken welke fiets het beste bij je paste. De zadels werden afgesteld en we reden even een rondje of alles wel goed was.

Even wachten op een Koreaanse Amerikaan met zijn vriendin. Die kwamen ook en met Fokke aan kop en de mecanicien als “bezemfiets” gingen we op pad. De fietstocht zou 4 a 5 uur duren. Het was mooi weer en er werd geen regen verwacht.
De eerste stop was de Chinese Tempel “Wat Chin”. Dat was hele andere koek dan een doorsnee Thaise tempel. Een enorme betonnen draak grijnsde ons tegemoet en zijn bek stond open om ons te verzwelgen. In felle kleuren nodigde die draak ons uit om in die bek naar binnen te gaan. De tempel is felgekleurd. Overal staan beelden van goden en godinnen en wat ook opvalt is dat de offerblokken echte kluizen zijn.


Wij gingen die bek van de draak binnen en in de ingewanden van die draak waren prachtige fresco's aangebracht. Die beelden het leven uit van Boeddha. De mecanicien, die perfect Engels sprak, legde ons uit wat al die fresco's voorstelde. De fresco's waren prachtig van kleur en de gang in de draak was lang, maar de hele wand van die gang was beschildert.


Deze Chinese tempel is zeker waard om te bezoeken. Het is totaal verschillend van de meeste tempels die je hier in Thailand ziet.

Blij dat we niet door de draak verzwolgen waren, stapte we op fiets en gingen naar de volgende stop. Dat bleek “McKean Leprosy/Rhebilitation Centre” te zijn. Een melaatsen en een revalidatie/ verpleegtehuis.
Dat melaatsenkolonie is in 1907 door een Amerikaanse zendeling, McKean, gesticht. We kwamen eraan en er zaten wat oude mannen, sommige in een rolstoel en die hadden melaatsheid onder de leden. Je kon dat goed zien, want vingers ontbraken aan hun handen en ook de tenen aan hun voeten waren verdwenen door de melaatsheid. Tegenwoordig is melaatsheid vrijwel verdwenen, maar is de kolonie een revalidatie en verpleegtehuis. Rondom het plein waren kleine bungalows, waar de patiënten gehuisvest werden. Een kerkje trok mijn aandacht. Het was een typisch zendelingenkerkje, die ik ook vaak in Namibië gezien had bij de missieposten van Nederlandse paters.


Wilma deelde wat uit aan de melaatsen en we keken hoe de zalen eruit zagen. De kolonie is erg groot en we fietsen er ruim tien minuten doorheen. Het was oorspronkelijk een rustplaats voor de olifanten die werkten in de bossen. Maar een “witte” olifant overleed en niemand wilde meer op dat landgoed vertoeven, vanwege de boze geesten die het overlijden van die “witte' olifant” had opgeroepen. McKean kreeg dat landgoed bij wijze van spreke voor niets.


Er is ook een museum in de kolonie, maar die was gesloten. Ik zal daar zeker nog wel eens een kijkje nemen, want er ligt veel geschiedenis in die kolonie. Overal zag je die bungalows. Sommige erg oud, anderen redelijk nieuw. Ook deze kolonieis een aanrader voor ieder die meer wil zien van Chiang Mai dan alleen Doi Suthep.
We stapte weer op onze ijzeren ros en reden door de nauwe straten van die buitenwijk van Chiang Mai. Het is aardig om te zien hoe men daar woont en werkt.
Zo kwamen we bij een bakkerij waar broden en broodjes gebakken werden. Personeel genoeg en in de bakkerij was men danig bezig. Je moet echter niet denken dat die bakkerij een toonbeeld is van een Nederlandse bakkerij. Het is een georganiseerde chaos, maar iedereen weet wat men moet doen.
We kregen een heerlijk broodje die boven met boter en suiker was besmeerd. Lekker vers en heerlijk om te eten. Er hing echt een bakkerijlucht die ik van vroeger herkende als ik een brood moest halen in de bakkerij in Breda, waar ik in mijn kinderjaren woonde.



We gingen weer verder fietsen en kwamen bij een tempel met crematorium. De tempel heet Wat Chediliem. Het is een mooie tempel met een paar gongs, waar we op hartelust gingen slaan. Er is een gesloten en open crematorium. De open crematorium is precies zoals dat in Ngao was.


We kwamen ook voorbij een snoepjes fabriek. Daar werden kleine snoepjes gemaakt die mooi ingepakt werden. De machines die de mengsels voor die snoepjes maken, leken oud, maar deden hun werk goed. Ook hier waren redelijk wat mensen aan het werk. De snoepjes smaken heerlijk. Niet te zoet, wat eigenlijk vreemd is in Thailand en je kauwt de snoepjes heerlijk weg.



Een school mocht niet ontbreken in deze trip en kwamen bij een lagere school aan. De kinderen waren verbaasd dat ze zoveel “farangs” zagen, maar vonden het prima. We bezochten een klas met kinderen van rond de zes of zeven jaar. Vooral Rene blonk uit als een prima onderwijzer. De kinderen schreeuwde precies na wat hij hun voorzegde. De school zag er beter uit als de scholen die ik hier in Thailand had gezien. Het kwartiertje dat we er vertoefde is geen maatstaf hoe de school werkelijk functioneert. Maar het was erg leuk en de kinderen waren enthousiast.


De inwendige mens moest ook versterkt worden en we aten bij een Stichting die weeskinderen van de Hmong-volk opvangt en huisvest. Ook zijn er kinderen gehuisvest van het Hmong-volk waar de ouders niet voor de kinderen kunnen zorgen. De Stichting word door Nederlandse donaties ondersteunt . Het weeshuis heet het Piyawat weeshuis en het ziet er modern en opgeruimd uit. Een website over dit weeshuis is: http://www.unboundedlife.com/?p=555 en hier kan men ook wat lezen over het weeshuis: http://hilltribechildrenasia.com/Support_Hilltribe_Children_Asia.html
Wat zou Thailand zijn zonder keramiek. We bezochten een pottenbakkerij waar potten gemaakt en gebakken werden. Het is verbazend om te zien hoe zo'n pottenbakker uit een klomp klei zo'n mooie pot kan maken. De pottenbakkerij ziet er niet uit. Het is wat donker en van ARBO hebben ze nog nooit gehoord. De pottenbakker zelf herken je bijna niet. Het zou zo een klomp klei kunnen zijn. Het is wel leuk om te zien hoe alles daar in zijn werk gaat en je leert er nog wat van.




Ook kwamen we langs een standbeeld van Koning Chulakorn. Het is de meest beroemde koning die Thailand heeft gekend en heeft Thailand de moderne tijd in geleid. Hij wordt nog steeds erg vereerd in Thailand en overal zie je zijn beeltenis in huizen en winkels hangen.

We reden over de mooie weg, een stukje maar, Chiang Mai-Saraphi die omzoomd is met oude rubberbomen. Een prachtige weg, die ik vaak met de auto reed.
We kwamen bij een markt, waar we eerst wat te drinken kregen. Het was warm en ik had gelukkig een mooie pet van Wilma gekregen, die mij enige bescherming bood tegen de zon. Nadat we het drankje naar binnen gewerkt hadden gingen we de markt op. Ik schrijf wel “we”, maar ik bleef lekker bij die tent met koele dranken zitten. Markten heb ik in allerlei groottes en vormen gezien.
Nadat het gezelschap terug kwam van die markt, gingen we het laatste stukje fietsen. Naar het begint punt van de tocht. Inmiddels was het al half-drie geworden.
Ik heb genoten van die fietstocht. Je ziet vele dingen die je in de auto niet zou opmerken en je stopt bij bezienswaardigheden, waar je normaal nooit komt. Het was warm die dag en zelfs ik had wat verbrande armen. Rene had zonder hoed gereden en dat heeft ie geweten. In de avond had hij een verbrand hoofd.


Ik kan iedereen die fietstocht aanbevelen, als men in Chiang Mai komt. Het tempo is rustig en je fiets nooit lange stukken. Je stopt regelmatig. Voor mij was de leprakolonie het meest interessant, want daarbij komt de geschiedenis van Chiang Mai voorbij, die eigenlijk niemand weet.

De link van RBB is:
www.chiangmaibiking.com


Colors of Chiang Mai – Fietsen in Chiang Mai from ThailandGekClub on Vimeo.

zondag 12 juni 2011

Raketten, ruïnes, praalwagens en een hoop herrie.

Het doel van de trip met Rob en Wilma was het rakettenfestival in Yasothon. Dat festival word jaarlijks gehouden in dat stadje. De raketten worden de lucht ingeschoten om de geesten gunstig te stemmen, zodat er regen valt en de rijstoogst dat jaar goed zal zijn.

Het festival duurt drie dagen. Het is in het stadje een drukte van belang. Duizende verdringen zich in de straatjes en er is een grote markt, een kermis en langs de weg staan de praalwagens geparkeerd, te wachten op de dag dat de parade zal zijn.

Vanuit Korat is het een eindje rijden naar Yasothon. Via Roi Et kwamen we in de middag aan. We zouden drie dagen, vier nachten in het hotel verblijven. Yasothon heeft niet veel hotels. Ik schat dat Yaosthon de omvang heeft van Phayao. We logeerde in het J.P Emerald Hotel. Een mooi hotel, op loopafstand van waar zich alle afspeelt.

Rob en Wilma hadden een suite en daar kon je met een paar man wel in. Die suite was meteen het hoofdkwartier van Rob en Wilma. Wilma kennende, had ze alles goed geregeld. Koffie drinken bij Wilma was het devies voor de komende dagen.

Volgens het programma wat wij in het hotel kregen, zou de eerste dagen gewijd zijn aan dansen door dansgroepen. Om acht uur in de ochtend zou dat beginnen. Thailand kennende, sliep ik eerst goed uit en kwam pas tegen half tien boven water. Maar Rob en Wilma gingen al tegen acht uur het hotel uit. Toen ik tegen half tien het hotel verliet om ook een kijkje te nemen naar dat dansen, kwamen Rob en Wilma terug uit de stad. “Niks te zien”, was hun oordeel. Dan maar koffie drinken in de suite.

Even na tienen toch maar naar het centrum wandelen. Niks te zien, behalve de praalwagen die langs de weg stonden. Er werd fluks gebouwd langs de weg aan vele podia, waarop huizenhoge geluidboxen stonden. Dat beloofde wat geluidsoverlast, dacht ik zo.

In het centrum aangekomen, was er niet veel te zien. In een wat achteraf straatje stond een dansgroep te dansen. Wij er naar toe en wat bleek, daar werden de dansgroepen beoordeelt op hun kunnen. Er waren juryleden aanwezig, maar het was toch een wat armoedige plek. Wel stonden er wat mensen te kijken.


Voor ons westerlingen is een Thaise dansgroep leuk, maar voor ons zijn al die dansgroepen hetzelfde. Zeker wat de dans betreft en de muziek. De kleding van de dames verschillen wel, maar voor de rest is het allemaal hetzelfde in onze ogen.

Nadat we een uurtje dat spul hadden bekeken en Rob als een verwoed filmer zijn video's geschoten had, gingen we maar terug. In de brede straat bij het hotel had een vrachtwagen met trailer zich gevestigd. Op die trailer stonden ook huizenhoge geluidsboxen. Ik keek al in het rond waar je oordoppen kon kopen, want Thais kennende, zouden die geluidsboxen op volle volume staan.

Al lopend langs de podia, kregen we een voorproefje wat ons te wachten zou staan. Het geluid wat die boxen produceerde ging door merg en been. Vooral de basgeluidsboxen deden een aanslag op je ribbenkast. Volgens mij heeft Yasothon een wijd en zijn bekend staande doveninstituut, want de plaatselijke inwoners van Yasothon deden net of het doodstil was in het stadje.

De middag hebben we eigenlijk in het hotel doorgebracht. Tegen de avond gingen we weer de stad in en zodra we het hotel verlieten, konden we goed merken dat het feest in volle sterkte een aanvang had genomen. Maar in de binnenstad was het gezellig. Overal lichtjes, de markt was leuk en ook de kermis draaide volop. We gingen eten op een marktplein, waar ook een podium stond, maar daar stond het geluid niet zo hard. Op dat podium deden dansgroepen en zangeressen hun best. Het eten kon je halen in kraampjes die langs de weg stonden. Later die avond kwam Peter en zijn vriend ook in Yasothon aan. Die hadden de rit Lampang-Yasothon achter hun kiezen en dat kon je merken. Allebei waren ze wat vermoeid van de lange reis, Ze hadden veel regen onderweg gehad en dat voorspelde weinig goeds voor morgen. Dan zou de optocht plaatsvinden.



De tweede dag. De optocht zou om tien uur in de ochten aanvangen. Wel, tegen half-elf kwam er beweging in de lange stoet en wij waren net op tijd bij de podia waar alle hotemetoten zaten. De geesten hadden waarschijnlijk een slechte bui, want toen kwam de regen ook met bakken naar beneden. Iedereen probeerde te gaan schuilen, maar die arme dansgroepen en praalwagen stonden in de regen. De straten werden rivieren, maar gelukkig was de regenbui na een halfuurtje voorbij. Druipend kwam de stoet weer in beweging.



Rob en Wilma gingen hun eigen weg en ik liep wat verder op een mooie plek te vinden om foto's te maken. In het begin ging de stoet redelijk voorbij, maar daarna stokte het. Een halfuurtje stilstaan en dan ging men weer. Ik ging even bij het podium van de hotemetoten kijken en wat was het geval, de dansgroepen hielden voor dat podium stil en voerde hun kunstjes op. Dat duurde lang. Dan kwam er weer een of twee praalwagens voorbij en dan weer een dansgroep, die ook hun kunstjes voor de notabelen vertoonde.




Al met al duurde de optocht uren. Tegen een uur vond ik het welletjes en ging naar een koffieshop op weg naar het hotel. Lekker koffie gedronken, oordopjes van watten in mijn oren en het geluid was ietsjes minder. Wel hadden mijn ribben het zwaar te verduren gehad als ik langs een podium liep.


Elk podium speelde of zong een ander deuntje, dus wat het een kakofonie van geluiden. De bassen drongen tot je rugwervels toe. Maar eerlijk gezegd, was het reuze gezellig daar. De mensen waren vrolijk, er heerste een echte feeststemming en dan voel je je ook een met de meute.

Later in de middag gingen we de omgeving verkennen waar de volgende dag de raketten zouden worden afgeschoten. Dat bleek in een park te zijn. In dat park stond een mooi gebouw dat was omgetoverd tot een kunstexpositie. Daar zouden ook die avond de notabelen eten. Buiten dat gebouw was een enorm plein, waar etenskraampjes langs stonden. We besloten daar te eten.

Het plein was mooi verlicht en er was uiteraard een podium. Er werd veel gedanst daar en ook kwamen later wat komieken hun komedie opvoeren. Je begrijpt er geen bal van wat ze daar op het podium zeggen en doen, maar de Thais hadden pret voor twee. Het eten was overigens uitstekend. Er was van alles en niet duur.

De derde dag is het hoogtepunt van het festival. Dan gaan de raketten de lucht in. Ik had geen enkele notie hoe dat in zijn werk zou gaan. We gingen tegen tien uur naar dat park, dat was omgetoverd tot een markt. De kraampjes in de stad waren naar dat park overgeplaatst. In dat park was een grote kale ruimte met gras, waar de stellages stonde voor het afschieten van de raketten.

Drie stellages voor de kleine raketten en drie voor de grote jongens onder de raketten.



Toen we er aankwamen stegen al wat raketten op met veel rook en lawaai. Strenge veiligheidsmaatregelen werden er niet genomen en we konden vlakbij die stellages komen. Als apen klommen de raketbouwers die stellages op en bevestigde de raket op zo'n stellage. Draden lagen over de grond, want die raketten werden elektrisch ontstoken. Als iedereen klaar was en de stellagee van mensen ontdaan was, ging er een seintje naar de vuurleiding die in een tent achter zandzakken zat. Die tent was achter ons, dus veilig was het niet erg voor de vele fotograferende mensen. Met veel gesis, lawaai en rook steeg de raket op en als die raket wat hoogte had juichde de makers van die raket en voerde een vreugdedansje uit.




Ook de kleine raketten kwamen met veel rook en lawaai van de grond.

Het is een echt spektakel, die ik nog nooit in mijn leven had gezien. Duizende toeschouwers stonden op een brug, op de wegen en rondom die plek waar de raketten werden afgevuurd, Er waren een paar Tv-ploegen en vele fotografen, waaronder Rob, Peter en ondergetekende.

Mocht er een raket niet goed de lucht in gaan, worden de makers in de modder gesmeten.

Ik genoot van het lawaai, het gesis van de afgestoken rakketen en van de rook die de raketten uitspuugde. Een geweldige ervaring.

Maar het was erg warm en tegen een uur gingen we transpirerend een drankje drinken en later gingen we wat eten in een restaurant.

In de middag zijn we naar een ruïne gaan kijken die ongeveer 40km van Yasothon ligt. De wegbewijzering naar die ruïne liet wat te wensen over, maar we kwamen er.

De ruïne heet Dong Muang Toei. Het ligt wat verscholen tussen de bomen en men heeft geprobeerd om er een bezienswaardigheid van te maken, maar halverwege is men ermee opgehouden. Er staan wat gebouwen, maar die liggen er vervallen bij. Een monnik woont er, maar de scherven van opgravingen liggen verspreid op tafels en bied een troosteloze aanblik. Heel erg jammer, want men kan er een mooie bezienswaardigheid van maken. Cultureel erfgoed, zou ik zo zeggen, maar men laat het versloffen en het verval van de gebouwen en omgeving is goed te zien.

In de avond gingen we eten in een prima Thais restaurant, waar men, tot onze verbazing, perfecte desserts had. De banana-split was mooi opgemaakt en het ijs was een van de smakelijkste ijs wat ik in Thailand gegeten had.

De volgende dag bracht “De Dame” ons, via Roi Et en Khon Kaen naar Pitchanulok, waar we de nacht zouden doorbrengen. In het Paloma Hotel, waar Rob en Wilma, maar ook Rene eerder hadden gelogeerd.

De avond aten we in een restaurant op een boot aan de rivier. Eerst waren we nog gaan kijken naar een tempel, met een mooi Bhoedha-beeld. Maar ik had belangstelling voor de zonsondergang bij de rivier. Met een pagode op de achtergrond nam ik, naar mijn bescheiden mening, een mooie foto.


Pitchanulok is ook bekend om het restaurant met “de vliegende groenten” Daar zijn wij een kijkje gaan nemen en Rob en Wilma wilde wel die groente opvangen.

Op een aftands volkswagenbusje, even buiten het restaurant, sta je dan op het dak van dat busje met een deksel van een afvalemmer om de groente op te vangen. Voor de zekerheid staat een medewerker van dat restaurant er achter. De kok maakt die groente met veel vuur klaar in een minuutje en gooit het achterwaarts naar dat busje. De kunst is op het op die deksel op te vangen. En dat lukte Rob en Wilma. Veel vrolijkheid natuurlijk en het is leuk om te zien.


De volgende dag waren we, via Lampang, weer terug in Chiang Mai. Wilma ging meteen weer de boel in- en uitpakken voor de trip naar de bergvolken en Rob keek alles met gesloten ogen naar dat in- en uitpakken.


De volgende blog gaat over de fietstocht die Rob, Wilma, Rene en ik maakte in Chiang Mai.


donderdag 2 juni 2011

Een Gouden Boeddha, auto-onderdelen, diner-cruise en een cowboy-verhaal

Een van de voordelen van internet is, dat je via forums een netwerk van vrienden en kennissen kan opbouwen. Zo zijn Rob en Wilma al een paar jaar goede vrienden van mij. Rob en Wilma leerde ik kennen via zijn internetclub “Thailand Gek Club”. Ik schreef daar wat berichtjes in, we ontmoeten elkaar voor de eerste keer in Phayao en het klikte meteen.

Rob en Wilma zijn oude Thailandgangers. Niet in leeftijd, maar in het aantal keren dat zij Thailand bezoeken. En bij voorkeur gaan ze naar bergstammen en andere niet zo erg bekende plekken in Thailand.

Dit jaar waren ze er weer en ze nodigde mij uit om met hen naar Yasothon te gaan voor het jaarlijkse raketten-festival daar. Eerst zouden ze vliegen naar Korat en dan met de bus naar Yasothon. Ik zou hen dan daar ontmoeten. Maar naar enige beraad besloot ik ze in Bangkok op te halen en met mijn trouwe Honda via Korat naar Yasothan te rijden.

Op 9 mei was het zover. Mijn trouwe Honda stond te trappelen op zijn wielen om de reis naar Bangkok te aanvaarden en vroeg in de morgen gingen we op weg. De ruim 700 kilometer naar Bangkok is eigenlijk routine en ik was er vroeg in de middag.

Ik zou logeren in een goed hotel in Chinatown, maar hoe moest ik daar komen. Ik weet de weg niet zo goed in Bangkok en alleen achter het stuur zoekend naar dat hotel leek me niet verstandig. Dus parkeerde ik de auto bij het oude vliegveld, Don Muang. Ik belde Rob op en die was wel wat verbaasd dat ik daar stond. Ze haalde me daar op en met behulp van de GSM van Rob konden we het hotel dan ook makkelijk vinden. Die GSM heeft een lieftallige damesstem in het Nederlands en ik doopte die GSM dan ook in “De Dame”.
De volgende ochtend moesten Rob en Wilma naar de tandarts en ook wat andere zaken en ik kon China town gaan verkennen. Niet ver van het hotel was de tempel met de Gouden Boeddha. Die stond eerst op een andere plaats, maar men bouwde een nieuwe tempel, waarin die Gouden Boeddha een prominente plaats kreeg. De tempel heet “Wat Traimit” (Temple of the Golden Buddha)” Het is een vier verdiepingen gebouw met een informatie centrum over die Gouden Boeddha.

Het verhaal wil dat tijdens een transport van die Boeddha, het beeld omviel en een stuk van het gipsen omhulsel eraf viel. Onder dat gipsen omhulsel kwam een massief gouden beeld te voorschijn. Het beeld weegt 5.5 ton is is echt van massief goud.


Het informatiecentrum laat zien hoe het beeld is ontdekt, hoe het transport van dat beeld ging. Op de vierde etage is het beeld te zien en wordt bijzonder vereerd door de Thais. Er zwemt ook een bijzonder vis in een vijver. Wat voor soort vis, is mij niet bekend

De tempel ligt aan de grens met Chinatown en de grote ingangspoort Chinatown is vlakbij de tempel.

Toen ik weer naar het hotel terugliep zag ik een Chinese tempel, waar ook een medisch centrum is gevestigd. De geneeskunde wordt op oud-chinese wijze toegepast.



De straat waar het hotel aan ligt is erg druk. Trouwens heel Chinatown is net een mierennest. Overal zijn winkeltjes, kraampjes en restaurantjes.

In de middag gingen we wat lopen door Chinatown. Rob en Wilma wisten leuke plekjes te vinden in de steegjes. In een van de steegjes werden auto-onderdelen bewaard, schoongemaakt en waarschijnlijk weer verkocht. Die auto-onderdelen waren niet mooi op een rijtje uitgestald, maar op een hoop gegooid. Bergen onderdelen, remschijven, versnellingsbakken, hele motorblokken en meer van dat spul lag op een hoop bij die werkplaatsen. Geen scheiding van opslag van afgewerkte olie, chemicaliën en dergelijke. Dat stroomde gewoon via een gootje de riolering in. Milieu-politie uit Nederland zou ter plekke een hartstilstand krijgen. Ik had zoiets nog nooit gezien.





Ook kwamen we bij een tempel met een crematorium. Volgens mij zou er de volgende dag een crematie zijn. De kist stond al gereed om in het crematorium te verdwijnen. Tevens liggen er twee krokodillen in een vijver bij die tempel. Volgens mij liggen ze te wachten op de restanten wat uit het crematorium komt.


In de avond hadden we een “diner-cruise”. Op een mooie boot een diner voorgeschoteld krijgen, terwijl Bangkok aan je voorbij gaat. Er werd traditionele dansen uitgevoerd en het eten was ook prima. Een mooie avond op de Chao Praya. Vooral de verlicht tempels en Koninklijk Paleis was prachtig om te zien.




De dag daarop vroeg uit de veren, want we gingen naar Chockchai. Dat is een grote boerderij die is omgetoverd tot een soort pretpark en waar je stadkinderen kunnen zien hoe een melkerij eruit ziet. Die boerderij ligt aan de weg naar Korat en de eerste rondleiding is om tien uur. De andere rondleiding is om drie uur, dus te laat voor ons.

We waren er om half tien en alles op die boerderij heeft een “wild-west-look”. De personeelsleden lopen in cowboykleren rond en overal hoor je country-muziek uit de luidsprekers klinken.


De rondleiding was met heel wat mensen en wij waren de enige “farangs'. De gids sprak dan ook alleen Thais. Dat gaf in principe niets, want als echte Hollanders konden we prima alles zien en begrijpen. Friese zwartbonte koeien liepen er rond en dat was een vertrouwd beeld voor ons. Bij de melkerij kon je zelf eens proberen een koe te melken en dat hoefde je niet twee maal aan Wilma te zeggen. Dapper trok ze de laarzen aan en ging een koe melken. En dat ging haar nog goed af ook.

Met een rij wagons, getrokken door een tractor, gingen we de boerderij rond. De weg ging langs stallen en velden vol met mais en andere veevoer. We kwamen uiteindelijk bij een wild-west dorpje dat bestond uit decorstukken.

Maar er waren ook kraampjes waar je met een geweer kurken kon schieten op prijzen. Ballonnen kon je stukgooien met pijltjes en je kon een ritje maken op een paard. Wij gingen een ritje maken in een rijtuigje met een paard ervoor. Dat rijtuigje was voor Thais gemaakt, dus zaten Rob, Wilma en ik nogal als sardientjes in dat rijtuigje.

Er was ook een kleine arena met tribunes. Daar werd door Thaise cowboys kunstjes opgevoerd. Met een paard rondrijden, lasso gooien en een kalf met een lasso vangen. Er was er zelfs een die met een paar revolvers stond te spelen. Serieus liet hij die revolvers ronddraaien en zijn hand en weer terug in die holsters gooien. Maar als je goed keek, waren het speelgoedrevolvers, dus een gat in een muntstuk schieten was er niet bij. Wilma gaf nog wel de kalfjes te drinken bij een show met kleine dieren.






Na twee uur was de rondleiding voorbij en werden we met z'n allen via een souvenierswinkel naar buiten geleid. Daar was een groot restaurant waar je goed kon eten. Niks Thais, maar T-bonesteak steaks, biefstukken met frites e.d. We namen een biefstuk en ik moet zeggen hoewel de biefstuk aan de randen wat doorbakken was, de rest van die biefstuk prima te eten was.

ChockChai is leuk voor de kinderen, leuk om te zien, je kunt er lekker eten, maar er is niets dat aan Thailand gerelateerd is. Texas in het klein in Thailand, zou ik zo zeggen. Maar het is de moeite waard om het te bezoeken.


Daarna op weg naar Korat en “De Dame” bracht ons feilloos naar Korat en naar het hotel. Korat is een grote stad. Het liet me denken aan de omvang van Chiang Mai. Het bied de toeristen weinig aan bezienswaardigheden. Midden in het centrum staat het beeld van Taw Suranaree. Zij verdedigde de stad tegen Laos, toen haar man naar Bangkok reisde om versterkingen te halen. Het is een monument dat door vele wordt bezocht en de vering voor haar is groot. Tientallen mensen verdringen zich om lotusbloemen en wierookstokjes aan te bieden. Verder bied de stad niet veel. Maar ik moet zeggen dat we er slechts een overnachting deden, dus de stad echt verkennen deden we niet.
We aten wel bij een enorme “mall”. Een enorm winkelcentrum, waar je verdwaald. Je moet goed in je geheugen prenten waar je de auto heb geparkeerd, want anders vind je hem nooit meer terug.
De volgende ochtend gingen we naar Yasothon, maar dat wordt in de volgende blog beschreven